Het ministerie van Justitie en Veiligheid is als coördinerend departement voor filantropie bezig de beleidsvisie op filantropie uit 2019 te herijken. Als eerste stap sprak het ministerie in het Beleidskompastraject ‘Koers op filantropie’ met een brede groep betrokkenen: goededoelenorganisaties, fondsen, kerken, banken, wetenschappers, toezichthouders en ambtenaren. De opbrengst is deze maand gepubliceerd als bloemlezing van geanonimiseerde uitspraken, geordend naar trends, knelpunten en ambities. Het ministerie benadrukt dat de bloemlezing geen conclusie of standpunt is. De uitspraken zijn niet gewogen en spreken elkaar soms tegen. Ze vormen de basis voor de volgende stap: het formuleren van de herijkte visie.
ITGD is als een van de stakeholders geconsulteerd, samen met onder meer het CBF, Goede Doelen Nederland en de FIN.
Welke thema’s springen eruit?
Regeldruk en veiligheidsagenda. Dit is het knelpunt dat het vaakst terugkomt. Genoemd worden anti-witwasregels, de moeite om een bankrekening te openen en de stapeling van verantwoordingseisen van verschillende financiers. Kleine organisaties en vrijwilligers voelen dit het sterkst. Er zijn zorgen over de Europese anti-witwasverordening (AMLR), die vanaf 10 juli 2027 geldt.
Krimpende maatschappelijke ruimte. Veel gesprekspartners zien de agenderende en kritische rol van maatschappelijke organisaties onder druk staan. Ook anoniem geven komt ter sprake.
Veranderende financiële basis. De grote vermogensoverdracht en groeiende nalatenschappen staan tegenover minder structurele giften en een terugtredende overheid. Daarbij speelt de vraag of filantropie de gaten moet vullen die de overheid laat vallen.
Nieuwe vormen van geven. Crowdfunding, zakat, sociale ondernemingen, impact investing en gemeenschapsfondsen groeien. Veel daarvan valt buiten bestaande kaders en buiten het zicht van beleid.
Stabiel beleid en coördinatie. Gesprekspartners vragen om voorspelbaar fiscaal beleid, onder meer rond de giftenaftrek en geven vanuit de BV, en om sterkere coördinatie vanuit het Rijk. Of Justitie en Veiligheid daarvoor de juiste plek is, is een terugkerende vraag.
Zelfregulering. Het belang ervan wordt breed onderschreven. Er is bijvoorbeeld een voorstel om de CBF-Erkenning te gebruiken bij subsidieverlening, maar ook kritiek dat de eisen zwaar zijn voor kleine organisaties.
Wat zegt de bloemlezing over intern toezicht?
Voor onze achterban is het opvallend dat het intern toezicht op meerdere plekken terugkomt, en niet alleen in positieve zin.
Risicomijdend gedrag. Meerdere gesprekspartners noemen raden van toezicht in één adem met de overheid als bron van risicomijdend en incidentgedreven gedrag. Volgens sommigen remmen interne toezichthouders ondernemerschap en innovatie.
Professionalisering. Er is meer aandacht voor intern toezicht, ook bij vermogensfondsen. Sommigen pleiten voor richtlijnen van de overheid, zoals in de zorg en het onderwijs. Anderen vinden juist dat de overheid zich er niet mee moet bemoeien en vertrouwen op het zelfreinigend vermogen van de sector. Als ambitie wordt genoemd: het intern toezicht verder professionaliseren, onder meer om de zelfregulering te behouden.
Bestuurskracht. Vergrijzing, ontkerkelijking, regeldruk en aansprakelijkheid maken het moeilijker om bestuurders en toezichthouders te vinden. Ook wordt gewezen op generatieverschillen aan de bestuurstafel.
Integriteit en diversiteit. Gesprekspartners vragen om betere toetsing van de integriteit van bestuurders en om meer diversiteit in besturen en raden van toezicht.
Deze geluiden sluiten aan bij de recente evaluatie van de WBTR en bij ons eigen rapport over intern toezicht bij goede doelen. Voor toezichthouders ligt er een herkenbare vraag: hoe houd je voldoende grip zonder de wendbaarheid en durf van je organisatie te smoren?
Achterliggende stukken