Toezicht op waarden en ethiek
Inleiding
De filantropische sector opereert in het hart van maatschappelijke vraagstukken. Organisaties werken met publieke waarden, private middelen en vaak kwetsbare doelgroepen. Dat maakt dat hun handelen niet alleen juridisch en financieel moet kloppen, maar ook moreel uitlegbaar moet zijn. In de praktijk blijkt steeds vaker dat naleving van regels – compliance – onvoldoende houvast biedt bij de dilemma’s waarmee filantropische organisaties worden geconfronteerd.
In dat spanningsveld krijgt intern toezicht een andere lading. Toezicht op waarden en ethiek vraagt meer dan het vaststellen van codes, het goedkeuren van integriteitsbeleid of het afhandelen van incidenten. Het vraagt om aandacht voor houding en gedrag, voor de manier waarop besluiten tot stand komen en voor de ruimte die organisaties krijgen om te leren en zich te ontwikkelen. Dit artikel verkent hoe intern toezichthouders deze rol kunnen vervullen zonder moralistisch te worden en zonder de verantwoordelijkheid van het bestuur over te nemen.
Van regels naar waarden
Traditioneel was toezicht sterk gericht op rechtmatigheid, doelmatigheid en continuïteit. Wet- en regelgeving, statuten en interne kaders vormden daarbij het referentiepunt. Die benadering blijft noodzakelijk, maar is niet langer voldoende. Veel morele vraagstukken waarmee filantropische organisaties worden geconfronteerd laten zich niet eenduidig oplossen met bestaande regels.
Vragen over de herkomst van middelen, de omgang met data, de verhouding tot overheid en politiek of de spanning tussen impactmeting en menselijke waardigheid raken aan waarden. Ze dwingen organisaties om positie te kiezen en grenzen te trekken, ook wanneer de wet daar geen helder antwoord op geeft. Voor intern toezichthouders betekent dit een verschuiving van toezicht op regels naar toezicht vanuit waarden. Niet als vervanging van compliance, maar als verdieping daarvan.
En waarden worden zelden overgedragen via beleid alleen. Ze worden vooral zichtbaar in houding en gedrag: in de manier waarop mensen met elkaar omgaan, hoe besluiten worden genomen en hoe wordt gereageerd op tegenspraak en fouten. Intern toezichthouders maken hier onvermijdelijk deel van uit. Hun gedrag fungeert als een stil curriculum voor de organisatie. De toon van vragen, de omgang met onzekerheid, de reactie op ongemakkelijke informatie en de bereidheid om zelf kwetsbaar te zijn, geven signalen af over wat wenselijk en aanvaardbaar is. Toezichthouders die ethisch handelen willen stimuleren, kunnen dat niet los zien van hun eigen voorbeeldgedrag. Dat vraagt om zelfreflectie en om het vermogen eigen aannames, belangen en reflexen kritisch te onderzoeken.
Ethiek als doorlopend gesprek
Een risico bij aandacht voor ethiek is dat deze wordt geformaliseerd en daarmee wordt losgekoppeld van de dagelijkse praktijk. Integriteit wordt dan iets van documenten, procedures en meldpunten. Hoewel deze instrumenten belangrijk blijven, ontstaat morele kwaliteit vooral in het gesprek over concrete situaties en dilemma’s. Intern toezichthouders kunnen hierin richtinggevend zijn door ethiek te positioneren als een terugkerend onderdeel van reflectie en dialoog. Niet uitsluitend naar aanleiding van incidenten, maar juist preventief en onderzoekend. Door regelmatig stil te staan bij vragen over wat organisaties drijft, waar spanning wordt ervaren en welke dilemma’s telkens terugkeren, wordt ethiek onderdeel van de organisatiecultuur in plaats van een uitzonderingsdossier.
Daarbij spelen waarden en ethiek niet alleen een rol bij incidenten of dagelijkse uitvoering, maar juist ook bij strategische besluitvorming. Groeiambities, nieuwe samenwerkingsvormen, technologische innovaties of wijzigingen in financiering hebben vaak diepgaande morele implicaties. Intern toezichthouders kunnen hier waarde toevoegen door ethische reflectie expliciet onderdeel te maken van strategische afwegingen. Door systematisch te vragen wie profiteren van keuzes, welke waarden worden versterkt of onder druk gezet en wat dit betekent voor maatschappelijke legitimiteit op lange termijn, wordt ethiek geïntegreerd in de kern van het bestuur.
Ruimte voor ontwikkeling
Ethische kwaliteit is geen vaststaand eindpunt, maar een ontwikkelproces. Organisaties veranderen, maatschappelijke normen verschuiven en nieuwe vraagstukken dienen zich aan. Toezicht dat uitsluitend normerend optreedt, loopt het risico defensief gedrag te versterken en het leervermogen van de organisatie te ondermijnen. Intern toezichthouders kunnen ontwikkeling stimuleren door dilemma’s te erkennen als inherent aan het werk en door reflectietijd en -ruimte te legitimeren. Investeren in morele oordeelsvorming, bijvoorbeeld via intervisie of gezamenlijke reflectie, draagt bij aan een cultuur waarin waarden niet alleen worden benoemd, maar ook daadwerkelijk worden doorleefd.
Een belangrijk instrument binnen toezicht op waarden en ethiek is de manier waarop feedback wordt gegeven en ontvangen. Feedback is niet alleen een middel om prestaties te beoordelen, maar ook een manier om normen te expliciteren en gedrag te beïnvloeden. Wanneer feedback concreet wordt verbonden aan waargenomen gedrag en plaatsvindt in een open en veilige relatie, ontstaat ruimte om morele kwesties bespreekbaar te maken zonder dat deze onmiddellijk escaleren. Daarbij is wederkerigheid essentieel. Intern toezichthouders die ook zelf feedback uitnodigen op hun functioneren, versterken het signaal dat reflectie en leren onderdeel zijn van professioneel handelen.
Rolzuiverheid en nabijheid
Toezicht op waarden en ethiek roept al snel vragen op over rolverdeling. Waar eindigt de verantwoordelijkheid van de directeur en waar begint die van de toezichthouder? Een werkbare benadering is dat het bestuur verantwoordelijk is voor het vormgeven en leven van waarden in de organisatie, terwijl intern toezichthouders verantwoordelijk zijn voor het bewaken en bevragen daarvan. Dit betekent dat toezichthouders niet zelf de morele koers bepalen, maar toetsen of deze consistent, uitlegbaar en zichtbaar is in gedrag en besluitvorming. Het vraagt om nabijheid zonder vereenzelviging en om distantie zonder afstandelijkheid. Die balans is cruciaal voor geloofwaardig en effectief toezicht.
Daarnaast vraagt dit om ruimte voor tegenspraak en diversiteit van perspectieven. Homogene besluitvorming vergroot het risico op blinde vlekken, ook wanneer intenties zuiver zijn. Intern toezichthouders dragen verantwoordelijkheid voor het organiseren en beschermen van die ruimte, zowel binnen het toezicht zelf als richting bestuur en organisatie. Door actief afwijkende geluiden te waarderen en kritische stemmen te beschermen, wordt ethiek een levend en dynamisch onderdeel van de organisatie.
Tot slot is toezicht op waarden en ethiek onlosmakelijk verbonden met verantwoording. Niet alleen in cijfers en rapportages, maar ook in het delen van afwegingen, dilemma’s en leerervaringen. Transparantie over keuzes en spanningen draagt bij aan vertrouwen en versterkt de maatschappelijke positie van filantropische organisaties. Intern toezichthouders kunnen hierin een stimulerende rol spelen door openheid te legitimeren en organisaties aan te moedigen niet alleen successen, maar ook mislukkingen en onzekerheden te delen.
Conclusie
Toezicht op waarden en ethiek vraagt om een verbreding van het klassieke toezichtrepertoire. Het gaat niet alleen om regels en structuren, maar om houding, gedrag en cultuur. Intern toezichthouders spelen hierin een sleutelrol: als voorbeeld, als spiegel en als aanjager van ontwikkeling. Door ethiek te benaderen als een gedeelde verantwoordelijkheid en een voortdurend leerproces, dragen toezichthouders bij aan organisaties die niet alleen effectief en rechtmatig zijn, maar ook moreel weerbaar. Daarmee versterken zij het vertrouwen in de filantropische sector en haar maatschappelijke betekenis.
Gemaakt door Nynke Runia, februari 2026